Hoe pas je de referentieperiode van drie maanden toe om vast te stellen of sprake is van een collectief ontslag? Het Hof van Justitie kwam tot het oordeel dat elke periode in aanmerking moet worden genomen waarin een individueel ontslag heeft plaatsgevonden en waarin zich het grootste aantal ontslagen heeft voorgedaan om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer. Op basis van de WMCO dient dus te worden gekeken naar de drie maanden vóór, na, of gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na het betreffende individuele ontslag.

Inleiding

Op basis van de Wet melding collectief ontslag (WMCO) is er sprake van collectief ontslag indien van twintig of meer werknemers – die binnen één werkgebied van het UWV werkzaam zijn – binnen een periode van drie maanden de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, zonder dat het ontslag ziet op de persoon van de werknemer. De ontslagen dienen dus binnen een referentieperiode van drie maanden te vallen, wil het een collectief ontslag betreffen.

De WMCO is gebaseerd op de Europese richtlijn betreffende collectief ontslag (Richtlijn 89/59/EG, de Richtlijn) en moet daarom richtlijnconform worden uitgelegd. Dit betekent dat de WMCO zoveel mogelijk in overeenstemming met de Richtlijn moet worden uitgelegd.

Op 11 november 2020 heeft het Hof van Justitie (HvJ EU) meerdere prejudiciële vragen beantwoord die zien op de toepassing van de referentieperiode voor de vaststelling of sprake is van een collectief ontslag.

Prejudiciële vragen

De Spaanse rechter vroeg het HvJ EU hoe je met behulp van de referentieperiode kunt vaststellen of het ontslag van een werknemer een individueel ontslag betreft of dat het deel uitmaakt van een collectief ontslag als in de periode vóór en/of na een individueel ontslag meerdere andere werknemers zijn of zullen worden ontslagen.

De Spaanse rechter zag drie mogelijke methoden waarop de referentieperiode kan worden toegepast:

  1. de referentieperiode kan worden toegepast met de datum van het individuele ontslag als einddatum van die periode;
  2. de referentieperiode kan worden toegepast met de datum van het individuele ontslag als startdatum; of
  • alle ontslagen moeten worden meegeteld die hebben plaatsgevonden binnen de referentieperiode waarbinnen het aan de orde zijnde ontslag valt, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naargelang die periode vóór, na, of gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na het individuele ontslag valt.

Het HvJ kwam tot het oordeel dat de derde methode de enige methode is die in overeenstemming is met de doelstelling van de Richtlijn.

Belang voor de praktijk

Om te bepalen of sprake is van een collectief ontslag moet de referentieperiode (van in Nederland drie maanden) dus worden berekend door elke periode in aanmerking te nemen waarin het individuele ontslag heeft plaatsgevonden en waarin zich het grootste aantal ontslagen heeft voorgedaan om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer. Op basis van de WMCO kan dus worden gekeken naar de drie maanden vóór, na, of gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na het betreffende individuele ontslag.

Indien u vragen heeft met betrekking tot een collectief ontslag of twijfelt of sprake is van een collectief ontslag, kunt u contact met ons opnemen voor nader advies.

Bron
HvJ EU 11 november 2020, ECLI:EU:C:2020:898