Auteur Merle van den Berg
Categorie Rechtspraak

Reikwijdte werkgeversaansprakelijkheid wegens schending zorgplicht jegens andere werkzame personen dan werknemers

10/12 2021

Bedrijf X is een pluimveeverwerker en heeft de schoonmaak van de werkruimtes en machines uitbesteed aan het schoonmaakbedrijf. De directeur van het bedrijf voerde indien nodig zelf ook schoonmaakwerkzaamheden uit. Als gevolg van een ongeval met de kipfileermachine heeft de directeur letsel opgelopen. De directeur heeft bedrijf X aansprakelijk gesteld voor zijn schade als gevolg van dit ongeval op basis van o.a. de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 lid 4 BW. Lees in dit blog of bedrijf X aansprakelijk is voor de schade van de directeur.

Wat zijn de feiten?

Bedrijf X is een pluimveeverwerker en heeft de schoonmaak van de werkruimtes en machines uitbesteed aan het schoonmaakbedrijf. De directeur van het schoonmaakbedrijf voert indien nodig zelf ook schoonmaakwerkzaamheden uit. Als gevolg van een ongeval met de kipfileermachine heeft de directeur letsel opgelopen. De directeur heeft bedrijf X aansprakelijk gesteld voor zijn schade als gevolg van dit ongeval op basis van o.a. de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 lid 4 BW.

Wat is de achtergrond?

Het gaat in deze zaak om de reikwijdte van de werkgeversaansprakelijkheid jegens derden, oftewel personen met een ‘andere arbeidsrelatie’. In art. 7:658 lid 4 BW is bepaald dat hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf – hierna: de ‘ondernemer’ – arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft – hierna: de ‘werkende’ – aansprakelijk is voor de schade die deze werkende in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Doel: een aansprakelijkheidsgrondslag bieden indien de ondernemer tekortschiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen en de werkende daardoor schade lijdt.

Deze bepaling was in eerste instantie vooral bedoeld voor de situatie waarin een werknemer door zijn werkgever bij een derde is tewerkgesteld. Denk aan uitzending, uitlening of aanneming van werk, maar ook de situatie waarin tussen degene die de arbeid verricht en de ondernemer wel een overeenkomst is gesloten, zij het geen arbeidsovereenkomst. Denk hierbij aan stagiaires en vrijwilligers.

Vraag is welke arbeidsrelaties nog meer onder art. 7:658 lid 4 vallen. Daarbij is de strekking van deze bepaling relevant: dat een ondernemer die zijn zorgverplichtingen niet nakomt op gelijke voet aansprakelijk moet zijn voor de schade van werknemers én anderen die bij hem werkzaam zijn. Het soort rechtsverhouding is ondergeschikt aan de beschermingsgedachte. De strekking van art. 7:658 lid 4 BW is dus om bescherming te bieden aan werkenden die zich, wat betreft de door de ondernemer in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden.

Art. 7:658 lid 4 BW kan daarom worden toegepast indien de werkende die werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de ondernemer. Of dit het geval is, zal per geval bepaald moeten worden, waarbij o.a. van belang zijn: de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de ondernemer, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van de werkende en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

Ten slotte is voor toepassing van art. 7:658 lid 4 BW vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de ondernemer. Het moet hierbij gaan om werkzaamheden die de ondernemer in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten. Het kan gaan om werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de ondernemer behoren maar ook om werkzaamheden die feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren.

De uitspraak

In de onderhavige uitspraak oordeelde de rechter dat de directeur terecht naar voren heeft gebracht dat zowel zijn werknemers als hijzelf weinig tot geen invloed konden uitoefenen op (i) welke machines zij moesten schoonmaken, (ii) het onderhoud van die machines en – daarmee samenhangend – (iii) de veiligheid van die machines. Zij waren volledig afhankelijk van bedrijf X. Uit het voorgaande volgt dat voor zover bedrijf X zijn zorgverplichtingen ten aanzien van de veiligheid van de machines niet is nagekomen, het op gelijke voet aansprakelijk moet zijn voor de schade van werknemers én de directeur en zijn werknemers. Dat de verantwoordelijkheid voor de schoonmaakwerkzaamheden bij het schoonmaakbedrijf lag, maakt niet dat dit bedrijf ook verantwoordelijk is voor de veiligheidsrisico’s ten aanzien van de machines. Daarover had het schoonmaakbedrijf en ook de directeur geen zeggenschap. Ten slotte hebben de werkzaamheden plaats gevonden in de uitoefening van het beroep of bedrijf van bedrijf X. Bedrijf X moet voldoen aan strenge hygiëne- en voedselveiligheidseisen. In dat kader is het schoonmaken van o.a. de machines van groot belang. Ook was relevant dat bedrijf X de schoonmaakwerkzaamheden in het verleden zelf uitvoerde. De rechter concludeerde daarom dat de schoonmaakwerkzaamheden onderdeel zijn van het wezen van bedrijfsvoering van bedrijf X, of ten minste in het verlengde daarvan liggen. Conclusie: de directeur valt binnen de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW en bedrijf X is aansprakelijk voor de door de directeur geleden schade.

Het is van belang dat ondernemers zich realiseren dat art. 7:658 lid 4 BW vanwege de achterliggende beschermingsgedachte een ruim toepassingsbereik heeft. De regels omtrent zorgplicht, bewijslastverdeling en aansprakelijkheid kunnen onder omstandigheden ook worden ingeroepen door bijv. uitzendkrachten, zzp’ers, vrijwilligers, stagiaires en andere werkenden die arbeid verrichten binnen de onderneming, omdat deze groepen werkenden zich in de praktijk vaak in een vergelijkbare positie bevinden als de werknemers van die onderneming.

Bron Rechtbank Midden-Nederland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3374